Provincie Utrecht en het kaatsen

PEINS - Amateurkaatsonderzoeker Germ Gjaltema uit Peins schreeft een artikel over de historie van het kaatsen. Deze keer belicht hij onder andere het kaatsen in de provincie Utrecht in de late middeleeuwen.

Eerst maar eens de provincie, later de stad. Ds. Dirk Rafaëlsz. Camphuysen (1586 – 1627) werd te Vleuten als predikant beroepen in 1617. Ging hij een wandeling maken door het dorp en de spelende jeugd kreeg hem in het vizier, dan wierpen ze snel hun kaatsballen weg. Over ontzag gesproken. Gelukkig voor de jeugd werd hij elders beroepen in 1619. In Zegveld waar Arie Kuntelaar gegeselt, tuchthuis kreeg en verbannen werd na veroordeling van het Gerecht Utrecht in 1727, want hij had Bastiaan Gerritsz Breedijk Schepen van Zegveld, belaagd met een mes tijdens het kaatsspel.

Anna Maria van Schurman

Op 18 maart 1635 maakte Anna Maria van Schurman kunstenares, taalkundige enz..(1607 – 1678) melding van een nieuw lid aan de Maliebaan te Utrecht waar tevens ook op gekaatst werd. Het bleek René Descartes Franse filosoof wiskundige te zijn(1596-1650), het waren destijds beide in Franeker zeer bekende personen. Van A.M.S is nu nog bekend een school en straat die naar haar is vernoemd in Franeker.

Tevens is er veel van haar te vinden in Museum Martena. René Descartes schreef zich in 1629 als student in aan de Franeker Universiteit en huurde van Ruurd van Juckema in dat zelfde jaar het Sjaerdemaslot. Het stond op terrein waar nu It Sjûkelân zich bevindt. Lytse wrâld no.

Montfoort 1795

De agressie van prinsgezinden bestond behalve uit het ruiten ingooien en sarren van individuen, uit het opzettelijk kabaal maken bij de Gereformeerde Kerk als daar een eredienst gaande was; een wraakneming van Montfoort Rooms Katholieke jongeren voor het aloude verbod van kaatsen. Dus ook nog onder de Franse bezetting.

Drank gebruik

Alcoholische versnaperingen zijn niet vreemd binnen het kaatswereldje. In de late middeleeuwen ook niet in Utrecht zo staat onderstaand te lezen. Op Zon en Feestdagen, na afloop van de Godsdienst oefeningen, werd het voor een ieder toegankelijk de openbare Openbare Gebouwen te betreden en Musea. Indien het bestuur b.v. van Bierhuishouders noopte Kaats, Kegel, Kolf en Maliebanen opte rigten, en bij voorkeur de zulke eenige ondersteuning of voorregt deed genieten, die niet tevens als jenevertappers gepatenteerd zijn. Zoude het Volk niet even zo elders, hierin en nuttigen uitspanning en een niet kostbaar vermaak kunnen vinden?

Zonder twijfel, indien slechts het onmatige drinken vooral van jenever, konde geweerd worden. Zie daar het groote punt ! In Bierhuizen nu, wier houders van jenever tappen niet gepatenteerd zijn, is het gebruik van jenever per se verboden; kan de gemeenteman voor een matigen prijs een lekker glas bier krijgen, en daarna zich met een onschuldig spel vermaken zoals kaatsen, dan zal hij minder genoopt worden om jenever te drinken.

Resolutie Utrecht 4 febr 1677

Laatstleden dair by de houders van Kaatsbanen wordt verboden op Sondagen &c. gene personen in hare Kaetshuysen of banen te admitteren; dat deselve ook niet zullen vermogen op werkdagen wijn, of bier (uytgesondert glas kleynbier) van yemant te schenken. Dit is maar een voorbeeld uit die eeuw. In 1677 maakten men vele drinkschulden bij de Kaetsbaen houders. Dat werd natuurlijk ook in de hand gewerkt. Ten huize van Barbar Dirkcz werd vooral op Zondag te Waverveen, de tyd doorgebracht met “ drincken, schinken, caetsen en spelen “. Barbar Dirckz werd daardoor van het avondmaal afgehouden. Dit speelde zich af in 1629.