De feranderde Ouwe-Dyk

OUDEBILDTZIJL

Het hoofdthema in deze publicatie is de berekening van de inhoud van de al aanwezige grond van de Ouwe-Dyk, voordat deze in 1505 werd opgehoogd.

Bewijs 9 is bron Van der Wal, 1877.

Hierin schrijft deze onderwijzer op blz. 144/145 ,,dat er een weg vanaf de Noorderdijk (hoek Oasterdyk, SK) naar het westen moet zijn aangelegd en wellicht de grondslag is geweest van de latere bedijking door de pachters in 1505-1508. Zeer denkelijk, ja bijna zeker door de kloosterlingen van Mariëngaarde, Lidlum en Anjum”. De weg werd verhoogd voor ,,beschutting van het land bij gewone zomervloeden” en diende ook voor het vervoer van het weidvee.

Bewijs 10 zijn de sporen van leven, achter de zomerdijk in en om Oudebildtzijl. Deze sporen zijn onder andere nog terug te zien aan de hand van een complex van een Uithof, kalkovens en tichelwerk van de 13e eeuw in en om Oudebildtzijl.

Hypothese van Ehbrecht is bewijsstuk nummer 11. ,,De Friese elite moet ze (de monniken voor het aanleggen van zomerdijken, afdammen van geulen en stichten van waterschappen) hier binnengehaald hebben bij gebrek aan ’n centraal bestuur, burgerlijk en kerkelijk.” Dit schreef Wilfried Ehbrecht al in zijn dissertatie in 1968 over ’t Norbertijner klooster Wittewierum. Dit blijkt ook zo te zijn voor de kloosters om Billând (Mariëngaarde, Lidlum en Anjum). Zie mijn publicatie: Monniken en ’t Billând - sept. 2016.

De vergelijking van het totaal aan verwerkte grond en de totale inhoud van de dijk uit het bestek van 1505 levert bewijs 12 op. Dit is een van mijn belangrijkste bewijzen en daarom zal ik deze hieronder verder uitwerken.

Kijk verder naar afb 1. (De berekening hierna is gebaseerd op een dijklengte van 1 strekkende meter) Volgens het bestek werd de sloot/dijkgracht aan de binnenkant van de dijk gebruikt voor de dijk (1,8 m3). Ook moest er ‘n strook grond van vijfentwintig (25) meter breed en zestig centimeter diep worden ontgraven, elf meter buiten ,,het punt, waar de dijk begon”.

Dat is dus 15 m3 grond. De berekening van de totale inhoud aan de hand van de door mij bewerkte doorsnede is: 33,53 m3. Dat betekent, dat er dus al 33,53 - (1,8+15) = 16.73 m3 (= 49,90 %) lag, voordat de broers van Wijngaarden de eerste schep in de grond lieten zetten.

In ’t bestek is niet aangeven waar dit andere gedeelte van 16,73 m3 moest worden weggehaald. Dit is ook nog wel ’n hap grond van 16,73/0,60 = 27,89 meter lang, met ook ’n diepte van 60 centimeter. Dit lag aan de binnenkant van de berm. Daarmee moet bedoeld zijn de binnenkant in de betekenis van aan de landzijde en als onderdeel van dat dijklichaam en dan over de gehele lengte van de dijk.

Ook gezien mijn andere studies van het Billând kan ik nu de conclusie trekken, dat deze zomerdijk er allang lag vanaf ca. 800 n Chr. en Billând in 1200 n Chr. na het beter afdammen van de diepere geul, de Burdine, voor het eerst was ingepolderd. Die zomerdijk is steeds opgehoogd.

De Ouwe-Dyk is dus door de eeuwen heen sterk veranderd. De contouren van deze trouwe waker-/dromer-/slaperdijk zijn al in 800 gevormd. De zeedijk heeft ‘m ontwikkeld van laag zomerdijkje (800 n Chr.) tot een volwaardige offensieve waker na de verhoging in 1505. De dijk is dus heel veel veranderd in vorm, hoogte en functie.

Kijk verder naar de site www.academia.edu voor een langere versie. Na drie afleveringen dijkenbouw zijn de volgende maand de dijkdoorbraken aan de orde.