Graaf Aelbrecht ‘verspreider van Adelkaatsen’

PEINS

De adel speelden al vroeg in hun kaatsbanen een kaatsspel, de voorloper van het tennisspel. De hoge heren mochten tijdens hun spel ook graag een gokje wagen.

In Den Briel kwam ik daarvan al een leuke rekening te zien tijdens het bewind van Graaf Aelbrecht van Beieren (geb. 1336). Deze was opgemaakt in 1380 door de Baljuw van Voorne van Heenvliet en luidt als volgt: „Ghegeven mine heer in sijn self hant des Sonnedaches voor Sinte Jansdach te middenzomer, doe hi kaetste jeghens heer Willem van Amen 4 oude schilden ende ene nobel die maken in hollandts 7 pond 13 schellingen 4 denier.”

In de vele rekeningen van Aelbrecht kom je nooit tegen wat hij gewonnen had. De kaatsbaan van Den Briel lag in 1380 bij de ingang van het Hof, genaamd de Sinte Antoniusstraat. Aelbrecht van Beieren werd Baljuw van Henegouwen, Zeeland, Holland en West-Friesland in 1358 en dit bleef tot 1404. Hij speelde ook veel tegen zijn broer Willem, die later krankzinnig werd verklaard en die hij in 1358 opvolgde.

Op 29 juni 1361 was hij aan het kaatsen met de Heer van Arckel. Op 4 december 1387 schreef Aelbrecht een Charter uit voor Den Briel, waarbij hij het wedden bij kansspelen verbood. Maar er werd een uitzondering gemaakt voor het kaatsen en voor “den bal mitter Colven te slaen buten der veste onser stede voirscreven”.

Aelbrecht was in mijn ogen dé verspreider van het Adelkaatsen in de 14e eeuw. Ging hij te Dagvaarten dan speelde hij meestal in de Kaatsbanen op Kasteel Leusden, Den Haag, Teilingen bij Sassenheim, Schoonhoven, Leiden, Naarden en Haarlem et cetera. En overal verschenen nieuwe kaatsbanen en hij maakte een ieder enthousiast.

In 1390 gaf Aelbrecht als bijzondere gunst aan een stadsbaan buiten de Houtpoort te Haarlem “tot den speelvelde” om daarop te gaan „spacieren, spelen, bal slaan en recreatie te nemen.” Dus toen werd er al op gras gespeeld.

In 1396 bracht hij in aanwezigheid van zijn vrouw en schoonmoeder een bezoek aan het strand van Scheveningen. De Hertog ging er kaatsen met vrienden. Zijn oudste zoon Graaf Willem van Oostervant verspeelde met kaatsen in 1398 zijn “Gouden Tuin”. Dit is de halsketting in Stavoren die hij later duur terug kocht voor 40 kronen.

Hij en zijn vader waren hier gekomen per boot vanaf West-Friesland. Dit is de oudste vermelding over kaatsen in Friesland, maar ze zijn niet de verspreider van kaatsen alhier. Ze kwamen nooit verder dan Stavoren en is dus onmogelijk.

Een eeuw later, ten tijde van Margaretha van York 1477 – 1483, was de kaatsbaan al aan vernieuwing toe in Den Briel, zag ik in de rekeningen. „Bij bevele van mijn genadige vrouwe voirscreven gemaeckt een nyen Caetsspel want ouwe caetsspel al vergaen was. Dat selve Caetsspel gestylt geregelt geplanckt ende gespannen uuten garnisoene drie barckoenen vijf middelhouten noch verbesicht an t selve Caetsspel boven mijne genadige vrouwen houte ende gehalt tot Coppen Daeme XXII sparren etc…. gedeckt onder die leuffen daer men placht te Caetsen want se t samen gesoncken was ende terneder vallen wilde.”

Die loods was met een soort dakpannen gedekt stond er bij vermeld. Op bijgaande tekening is dat duidelijk te zien.

Kaatsamateur onderzoeker – Peins