Kaatsperikelen in dichtvorm door de eeuwen heen

PEINS

Amateurkaatsonderzoeker Germ Gjaltema uit Peins stuurde een verhaal en foto’s toe over gedichten met betrekking tot het kaatsen. Hieronder zijn verhaal.

Gedichten gemaakt met vele citaten door prominente dichters, zoals Jacob Cats, P. C. Hooft, Constantijn Huygens, Jacob Westerbaen, Roemer Visscher, Anthonis de Roovere, Justus van Effen over het kaatsen was in de late middeleeuwen schering en inslag. Dat geeft aan hoe belangrijk zij dat ‘spelletje’ vonden. Later meer hier over. Het geeft ook veel inzicht in benamingen en uitleg van het spel.

Soms zijn er verassende ontdekkingen, te beginnen met het onderstaande gedicht van Gerbrand Adriaensz Bredero (1585-1618) en hij zou wel zeggen:

‘Het kan verkeren,

Als ick mijn haer laat scheren,

Ick gaar de locken terstongst,

Want Mopsus de ballemaker,

Geeft men een schelling voort pongt’.

Bovenstaand gedicht staat in het vierde bedrijf van Gerbrand Adriaensz Brederode, Moortje en de Spaanschen Brabander, pagina 334, de zinnen 1672 tot en met 1674. Dat is geschreven in 1617 in Amsterdam, maar speelde zich al af in 1577.

Mensenhaar

Het geeft duidelijk aan dat in die tijd mensenhaar werd gebruikt voor het maken van kaatsballen. Het klinkt mij niet vreemd in de oren qua tijd. Ja, waarom eigenlijk ook niet. Zouden onze balmakers van weleer niet eens deze fout hebben kunnen maken?

Zo vond ik in ‘Van Varen en Vechten’ van dr. D. F. Scheurleer (1572-1654), deel I een puntdicht van de dichter en toneelschrijver Willem Godschalck Focquenbrouch met het volgende: ‘En rukte zoveel hair in een uur uit haar kop. Dat men er met fatsoen zes ballen van kon maken’.

Cornelis Pietersz, fabrikant van ballen gebruikte in 1589 haar van mens en dier en die te wassen en te drogen op de kade bij het verlaat (dit was verboden), om er kaatsballen mee te vervaardigen.

Boeken en archieven

Ook diverse boekwerken en archieven leggen leuke en nieuwsgierige feiten bloot. Zoals G.D.J. Schotel uit 1868, Het Maatschappelijk Leven Onze Voorvaderen zeventiende eeuw, hoofdstuk 11.

Ook prachtig is het volgende: ‘In de XVIIe eeuw sloeg men de bal met de vlakke Hand, doch die teere handen trokken dikke Dubbele Handschoenen aan. Terwijl eenigen, om sterker te kunnen slaan, die met touwen van binnen versterkten. Dus dit was al een voorloper van onze huidige nap in de kaatshandschoen.’

Prijzen of beloning

J. Monballyu, Filips Wieland (1441-1520), verzameld werk deel I: Corte Instructie in Materie Criminele – 1510: ‘Het es gheoirloft te Spelene Verboden Spelen met alle Religien omme Wyn, omme Patryzen, Tarten, Pasteyen of diergelycke, want men presumeert dat omme Gode te blasphemeren of leelicke woorden te sprekene’.

Dus hier kan gesproken worden van prijzen of beloning tijdens het ‘Caetsspel’ en werden er dus niet alleen weddenschappen afgesloten.

Bert Koene, Assendelft, schreef: ‘Men mag niet zonder toestemming op iemands land of erf kaatsen’. Dus toen werd in Assendelft ook al gekaatst ‘Yn ‘e greide of op it hiem’.

(Tekst Germ Gjaltema, amateurkaatsonderzoeker)