Ontstaan van het Billând deel 3: na Berltsum linksaf (1287-1400)

BERLTSUM

Sytse Keizer gaat deze maand bij het ontstaan van het Billând in op het deltaplan van de monniken voor Berltsum na de overstromingsramp van 1287. Hieronder zijn tekst. 

An 't eind van de twaalfde eeuw verloor Utgong, nu Berlikum, zijn functie als belangrijke (haven)stad. “Den ondergang der Stad Utgong t’ Uitkom, eene kleine zeestad, weleer in Westergo aan de Middelsee gelegen, ter plaatze daar nu het aanzienlyk dorp Berlikum of Belkum staat werdende oudtyds, om deszelfs gelegenheid, in ’t Latyn van die tyden genaamt: Terminus mare Mediterranei, ook Civitas Exiensis, in ’t Duitsch Utgongh" wort later beskreven. "Dit steedje, van ouds, wel ter zeevaart staande, was ongemeen neeringrijk; maar omtrent het jaar elf honderd negentig van de Noordsche zeerovers uitgeplondert en verbrand; zig niet zo digt meeraan de zee betrouwende, meerendeels zig meer landwaarts in begaven, makende alzo, door meerderen aanbouw, de stad Franeker, tegenwoordig eene der bloejenste steden dezer landschappe” (bron: Historische jaarboeken van oud en nieuw Friesland, van de vroegste geheugenissen tot op den tegenwoordigen tyd, Volume 2, Foeke Sjoerds, 1771). 

Utgong (Berlikum) was ’n belangrijke handelsnederzetting op ’n strategische plek, op de splitsing van de bedding van de (geul in de) Middelsee en de Ried. De bewoners van Utgong kunnen ’n ring walburcht hebben aangelegd in de monding van de Middelsee, net zoals in vergelijkbare situaties in bijvoorbeeld Zeeland. Mogelijk is die burcht door Noormannen en bewoners ver-/heroverd. Utloop Ried loopt om de ring walburcht heen. 

 Berlikum en omgeving 1287-1350
Tot ca 1200  was de afwatering van de Middelsee nog op zee gericht. Met ’t water in beweging bilde ’t land niet gauw op. Maar met de aanleg van de 4 langere zomerdijken, Skredyk/Langstraat, Dievedyk, Middelweg en Ouwe-Dyk  (800-1200) en ’t groter worden van de Zuiderzee (door stormen)  stroomde ’t water minder in de zeeslinken en meer over de Wadden- en Noordsee. De tijbeweging bij Billand stopte  eind 12e eeuw, toen de zomerdijken waren aangelegd en de zeekust afsloten.. 't water kwam daar tot rust, ’t opbillen (de verlanding) was voltooid. Alleen bij hoog water kwam de zee nog over de zomerdijken heen.
Bron: oa. “De loop van het Friese water”, 2004  G. ter Haar en P.L. Polhuis, bls 31.

Deze situatie hield nog geen 80 jaar stand, want in 1287 wordt ook het Billând zwaar geteisterd door de st Luciavloed.
 

Duidelijk is de dijkdoorbraak/inslag te zien ter hoogte van nu Gaya Indonesia (Westhoek). Verderop heb ik in een aparte bijlage de dwarsprofielen van deze oude geul opgetekend.
Ook is de (kanaal-) verbinding te zien tussen de uitgang van deze bedding (Sitkens Rijdt) en de Zwette rechtsonder. De Sneekertrekvaart (Zwette) is hier toen (mogelijk) doorgetrokken over Billând heen en hield dan niet op bij de Langstraat


Na deze overstromingsramp hebben de monniken van de drie omliggende abdijen vanaf 1300 ’n soort deltaplan opgesteld en uitgevoerd met de volgende projecten:

1.    Graven van ’t kanaal in de ontstane geul Sitkens Rijdt (St. Luciavloed 1287) tussen Westhoek en de Zwette.

               Doelen:     -    Beter vaarwater voor de schippen en
          -    ontwatering van de grond om deze geul heen. (Ook nodig door de bijna 'horizontale' ligging ten opzichte van de getijbewegingen en overheersende zuidwestelijke windrichting)

Het gegraven kanaal Zwette-Uitgang bij Westhoek (later voor ’n deel vervangen, verlegd door de Blikfaart in 1500). Wiersylsterrak en Moddergat zijn ca. 1300 gegraven door de monniken van Berlikum en omgeving.
De vorige bedding (800-1200) is dan al afgedamd en aan weerskanten liggen de zomerdijken (lees mijn vorige publicatie: Ontstaan van ’t Billând - 1)
De (ring)walburcht wort dan niet meer gebruikt.

Rienk en Walter:
Jullie zien hier met lichtblauwe stippellijnen aangegeven hoe dan twee waterwegen naar de Zwette lopen:
Die van ’t westen út via de Abt en de Holle Rijdt naar ’t zuidoosten, de Zwette.
De andere via Nije- en Ouwe-Syl, Froubuurtstermôln en meanderend naar ’t zuiden, na de Zwette. Se komen elkaar tegen bij de Langstraat/Skredyk.
De onderzoekers hebben dus hiermee ook ‘n poging gedaan om na te gaan wat daar in ‘t estuarium van de Middelsee gebeurd is, in 't jaar 1200.
Billând 1287-1500 Sytse Keizer, 2017
In Westhoek: De zee dringt 't land in west van (en niet via) de Holle Rijdt en laat ’n diep en lang spoor na richting Zwette (1287 St.-Luciavloed). Dit is de Sitkens Rijdt. Hier wordt in 1300 ’n kanaal gegraven, doorgetrokken en aangesloten op de Zwette. (Daar tussen de stippellijnen van Rienk en Walter). D’r is dan weer scheepsvaart mogelijk en ’t Billând kan worden ontwaterd, daar om de Sitkens Rijdt heen.

Vanaf ’t Noorderleeg is in 800 de Ouwe Rijdt ontstaan, die via Nije- en Ouwe-Syl en Ouwe Laai verder loopt bij Froubuurtstermôln langs en dan wat meanderend ophoudt, nog benoorden de Dievedyk. Dit stukje wordt dan ook in 1300 verbonden met het kanaal in de Sitkens Rijdt, wat ook daar op ’t zelfde punt wordt aangesloten op de Zwette. Dan is daarmee ook ’n scheepsvaartverbinding met ’t oosten van 't Billând en is ook daar ontwatering mogelijk.

De Sitkens Rijdt en Ouwe Rijdt zijn dus vanuit zee ontstaan en zijn beide in 1300 kunstmatig met ’n kanaal verbonden met de Zwette.
De St.-Luciafloed beukte met ’n zware noordwesterstorm op de Noord-Friese kust en  veel mensen en vee verdronk. De instroom hield pas op in de 'Wolden', in het zuidoosten van Fryslân.

2.       Verhogen van de oeverwal/zomerdijk Minnertsga-Wier-Berlikum-Beetgum-
          Langstraat-Skredyk. Hier werd klei gebruikt uit het gegraven kanaal.
3.        Bouw van stinsen bij de Dwinger, Valbrug en de twee Westhoekstinsen.
  ’n Dubbele verdediging dus aan de kust en meer 't land in.
  Hartman Sannes schreef al dat “het geslacht Hemmema ongetwijfeld veel 
  ouder is en zij hadden een burcht eerst van hout, later van steen, daar aan 
  den oever der Middelzee gesticht om zich beter te kunnen verdedigen tegen
  de Noormannen.”


  De positie van de twee stinsen bij de Dwinger nu en Valbrug is eerst nog 
  bepaald in de periode toen de splitsing van de Sitkens Rijdt (met ’t kanaal 
  hierin) en de ouwe geul in ’t verlengde van de Ried nog bestond.
  (Berlikummer Wiid) 
  De grenzen van de ouwere percelen lopen hier nog haaks op. Deze geul is later 
  dichtgeslibd, waardoor de Kleifaart is gegraven om de verbinding met de 
  Sitkens Rijdt, richting Westhoek en Noordzee, te houden.
  De verdediging van de twee stinsen wordt later overgenomen door ’n bolwerk 
  bij Nije Fenne (ook Hemmema)
  Jullie kunnen zien dat aldoende op grote schaal ’n min of meer symmetrische
  verdedigingslinie om Berlikum is ontstaan, gevormd door 't water. De schrik zat 
  er nog goed in na de laatste inval van de “Noordsche zeerovers”in 1190
  Ook zijn de stinsen aangegeven die op strategische plaatsen hieromheen 
  zijn neergezet. Wanneer dat precies gebeurd is, is van alle stinsen nog niet 
  bekend.
  
  Vanaf beneden, met de klok mee:
  Bonga/Roorda, Oasterwâl bij Wierstersyl, Valbrug, Dwinger, en Hemmema State,   
  de stins, die de heldhaftige, legendarise Bauck van Popma Hemmema  
  verdedigde met haar man Doecke.

4        Graven van ’t Wiersylsterrak, Moddergat. 
          Van de de klei werden stenen gebakken in ’t tichelwerk, aan ’t eind van ’t 
          Moddergat (Oasteand) voor de bouw van de    
          pastorie (Kemenade), ongeveer 't jaar 1330 door pastoor, later abt van  
          Lidlum Eelko Liauckema. De oude (Michiels)kerk werd eerst afgebroken en
          herbouwd door pastoor Theodorik, in 1348, later ook abt van Lidlum.
          Deze kerk stond dicht bij 't tichelwerk, wat hoger ten noordoosten ervan.
          ’n Doordachte werkwijze, logistiek gezien, want ze maakten zo werk met werk 
           voor de kerk!
 5        Repareren van alle dammen en zomerdijken die waren aangetast door de
           St. Luciafloed 1287.
 6.       Graven van de verbindingsvaart, de Kleifaart, tussen de Ried en ’t nieuwe Kanaal voor de ontsluiting van Franeker en Berlikum naar de Waddenzee. Ze maakten dus van ’n nood ’n deugd!  Van de grote, lange diepe wond, door de zee geslagen , werd ’n nieuwe vaarroute gemaakt. En er was meer ruimte voor ’t ontginnen van land.


Toponiemen
De Toponiem 'Dwinger' is ’n Fries-Groningse naam voor 'Bolwerk'.
Ten noorden van de Dwinger is nog altijd de naam Valbrug in gebruik voor ‘n boerderij en herinnert aan ’n belangrijk deel van de verdedingswerken van de stins. ’Het waren toen zeer strategische plaatsen daar op de splitsing van de Sitkens Rijdt en de Ried en verderop aan de Waddenkust bij de uitgang van de Sitkens Rijdt.

Bijlage: 

Dwarsprofielen bedding 1300-1400, SITKENS RIJD / Kanaal eo.
De vorm van de ouwe bedding van 1300-1400 is nog duidelijk terug te zien anno 2016.

(Foto's Sytse Keizer en overige)


Auteur

Jitze Hooghiemstra Redacteur