Column | Brand!

Franeker

In het depot van Museum Martena staan twee brandweerwagens waar een beetje pyromaan zijn vingers bij aflikt. Want waar een brandweerwagen is, kan vuur nooit ver weg zijn.

In dit geval is dat gelukkig anders, want het gaat om twee brandweerwagens op schaal. De wagens zijn in 1857 gemaakt. Of dat door een Franeker liefhebber is gebeurd weten we niet, maar dat zou heel goed kunnen. Voor de achttiende eeuw had Franeker geen brandweerwagens. Branden werden geblust met emmers water, die door een menselijke keten werden doorgegeven. Burgers waren dan ook verplicht een leren emmer in huis te hebben voor brandbestrijding. In de loop van de achttiende eeuw kreeg Franeker twee brandweerspuiten. Ze werden gestald in speciale brandweerhuisjes. Een van die huisjes was een gebouwtje tegen de toren van de Martinikerk. Brand was in vroeger tijden een groot gevaar. Elk huis werd verlicht door middel van kaarsen en de huizen waren meestal van hout. Er hoefde maar iets te gebeuren en de hele boel ging in de hens. Dat bleef dan vaak niet beperkt tot één huis. De regel van het Franeker stadsbestuur dat iedere burger een emmer in huis moest hebben, was dus uitermate wijs. Dat gedoe met die kleine emmertjes zette bij een flinke uitslaande brand weinig zoden aan de dijk. De komst van de brandweerwagens moet in de negentiende eeuw een flinke vooruitgang betekend hebben. De wagens werden getrokken door paarden en er waren toch al snel vier tot zes bemanningsleden nodig voor het pompen van het water en het blussen zelf. Aan het eind van de negentiende eeuw kwamen de eerste door stoom aangedreven brandweerwagens. Net zoals nu, zullen de brandweermannen vrijwilligers geweest zijn die met gevaar voor eigen leven zorgden voor de veiligheid van de stad en haar inwoners. Museum Martena heeft ook nu nog veel te danken aan deze vrijwilligers. Drie brandweerlieden waken ’s nachts voor de veiligheid van het gebouw en de collectie. Hulde dus aan onze brandweer, vroeger en nu!

Auteur

Jitze Hooghiemstra