COLUMN | Onbevreesde Frouck

Franeker

Klaas Klaasses, schreven we vorige week, denkt aan het eind van de zeventiende eeuw dat hij door de duivel bezeten is. De Franeker dominee Balthasar Bekker gelooft niet in bezetenheid en hekserij.

Hij interesseert zich voor Klaas’ gedachtenspinsels, maar denkt dat er een logische verklaring voor te vinden is. Zo schrijft hij een heel boek vol over de toverkunsten die mensen overal ter wereld menen te zien. Hij verbaast zich erover dat in zijn zeventiende eeuw nog ‘zovelen geloven in duivelskunsten en toverkollen’. Ongeluk, ziekte en rampen worden door zijn tijdgenoten verklaard als werken van de duivel. In Museum Martena bezitten we een exemplaar van Bekkers boek De betoverde werelduit 1691. Het leuke van dit boek is de opdracht voorin aan zijn vrouw: Frouck Fullenius, dochter van de wiskundeprofessor Bernardus Fullenius. Uit de tekst spreekt een haast moderne echtgenoot, die zich bijna verontschuldigt voor zijn regelmatige afwezigheid en zijn toewijding aan zijn boek: ‘Magh dit papiere kind u mede voor moeder groeten Ik geef ’t u in den arm. En ’t moet mijn leed versoeten [..] Maar door afscheidentheid van uren en van dagen ja, nachten voor een deel, gij echter neemt behagen Die self, door vrese noch door vrienden raad bekoord ’t versaken mij ontried. En ’t was uw laatste woord.’ Hieruit blijkt dat verschillende vrienden Bekker al waarschuwen voor de gevolgen van zijn boek. Als volgeling van Descartes, die door collega-dominees wordt beschouwd als goddeloos, kan het leven je onmogelijk gemaakt worden. En dat blijkt te kloppen. Bekker vertrekt dan ook met Frouck en hun drie kinderen naar Amsterdam. Uiteindelijk wordt hij daar ook uit zijn ambt en zelfs uit de Gereformeerde Kerk gezet. Niet zozeer om zijn ongeloof in duivelswerk, maar om zijn onwil om de Bijbel tot richtsnoer van zijn denken te maken. ‘Sien gaat voor het hooren’, vindt Bekker. Wat zijn vrouw hiervan vindt blijkt uit de opdracht: niet bang zijn, schrijven dat boek.

Auteur

Jitze Hooghiemstra