COLUMN | Een stuk(je) Franeker in Amsterdam

Franeker

De Philipsvleugel van het Rijksmuseum in Amsterdam wordt ook wel het Fragmentengebouw genoemd.

Dat is omdat de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers in 1890 iets van de architectuurgeschiedenis van Nederland wilde laten zien aan de hand van bij elkaar verzamelde bouwfragmenten uit het hele land. Die vormen samen de zuidvleugel van het museum.

Er is ook een fragment van een Fries pand gebruikt bij dit gebouw, het is de traptoren van de Ockingastins uit Franeker.

In 1887 werd de Ockingastins aan de Voorstraat afgebroken, om plaats te maken voor de nieuwbouw van het Klaarkampster Weeshuis. Het Rijksmuseum redde toen de toren van het gebouw door hem te hergebruiken. Aan het eind van de negentiende eeuw werden op grote schaal historische gebouwen afgebroken, blijkbaar zag niet iedereen de waarde in van deze oude panden, die ook vaak ernstig stonden te verkrotten.

De Ockingastins was een groot diep huis van twee verdiepingen boven kelders, aan de straat bekroond met een trapgevel. Ernaast stond een traptoren met een plat dak met een balustrade en een klein spitsje. In deze toren was de hoofdingang. Een sierlijk gemetselde wenteltrap leidde naar boven.

Deze wenteltrap is afgebeeld op de prent die in het bezit is van Museum Martena. De spil van de wenteltrap is met veel vakmanschap gemetseld. Op historische foto’s in de collectie van het Rijksmuseum is deze zogenaamde Franekertrap nog te zien. Het interieur van de traptoren is dus ook hergebruikt.

We mogen ons in Franeker gelukkig prijzen dat er nog relatief veel stinzen in de stad behouden zijn gebleven. De meest originele zijn natuurlijk de Botniastins aan de Brede Plaats en de Martenastins aan de Voorstraat.

Het is de moeite waard om bij een bezoek aan het Rijksmuseum in Amsterdam het Fragmentengebouw te bekijken. Ook het interieur van het gebouw is weer toegankelijk.

Zo overleeft een belangrijk stuk Franeker geschiedenis als integraal onderdeel van onze nationale schatkamer.


Auteur

Redacteur